De liquidatiereserve in 2026: nieuwe reserves kosten nu meer bij uitkering
De liquidatiereserve blijft een van de meest effectieve manieren voor een winstgevende eenpersoonsvennootschap om de belasting op uiteindelijk uitgekeerd geld te verlagen — maar de uitstapkost wijzigde voor reserves geboekt vanaf 2026, en oudere reserves behouden de vroegere, goedkopere overgangstarieven.
Hoe het werkt
Op het einde van het boekjaar kan een kleine vennootschap een deel van haar winst na belasting toewijzen aan een bijzondere “liquidatiereserve” en er meteen een anticipatieve heffing van 10% op betalen. Dat geld wordt dan gereserveerd. Bij latere uitkering als dividend geldt een bijkomende voorheffing — nog steeds ruim onder de standaard 30%, al hangt het precieze tarief af van wanneer de reserve is aangelegd.
De cijfers
Betaal nu 10%. Voor reserves geboekt vanaf aanslagjaar 2026 geldt bij uitkering na de wachttijd van 3 jaar een bijkomende voorheffing van 9,8% (het oude tarief van 5% is afgeschaft) — een totale last van ongeveer 18–20% van de oorspronkelijke winst, nog steeds ruim onder de standaard 30%. Reserves geboekt vóór 2026 behouden de vroegere overgangstarieven: 6,5% bij uitkering na 3 tot 5 jaar, of 5% bij een houdperiode van meer dan 5 jaar. Bij uitkering bij vereffening van de vennootschap zelf kan de bijkomende voorheffing nog steeds tot nul dalen.
- 10% anticipatieve heffing bij aanleg van de reserve
- Nieuwe reserves (vanaf aanslagjaar 2026): 9,8% bijkomende voorheffing na de wachttijd van 3 jaar — het oude tarief van 5% bestaat niet meer
- Reserves geboekt vóór 2026 behouden de overgangstarieven: 6,5% (3 tot 5 jaar aangehouden) of 5% (meer dan 5 jaar aangehouden)
- Effectief totaal voor nieuwe reserves ongeveer 18–20% — nog steeds ruim onder het standaard dividendtarief van 30%
- Mogelijk geen bijkomende voorheffing bij uitkering bij vereffening van de vennootschap
De hervorming van de wachttijd
Een programmawet van 2026 verhoogde het uitstaptarief voor nieuw geboekte reserves: de bijkomende voorheffing na de wachttijd van 3 jaar steeg van 5% naar 9,8% voor reserves geboekt vanaf aanslagjaar 2026. Reserves geboekt vóór dat jaar behouden de oudere, goedkopere overgangstarieven (6,5% of 5%, afhankelijk van de houdperiode). De richting is duidelijk: reserves belonen nog steeds het aanhouden, maar ze werden merkbaar duurder voor de toekomst, en het exacte tarief hangt af van het jaar van aanleg. Omdat de jaargangen tellen, is het apart bijhouden van elk jaar essentieel.
Veelgestelde vragen
- Kan ik de liquidatiereserve combineren met VVPR-bis?
- Het zijn aparte regimes en een uitkeringsplan gebruikt vaak beide over verschillende winstschijven. Wat goedkoper is, hangt af van de leeftijd van je vennootschap, je aandelenhistoriek en hoe lang je kan wachten.
- Wat als ik het geld nodig heb voor de wachttijd afloopt?
- Een liquidatiereserve vroeg uitkeren geeft een hogere bijkomende voorheffing en vermindert het voordeel. De reserve beloont geduld, dus boek enkel wat je kan laten staan.
- Werd de liquidatiereserve duurder in 2026?
- Ja, voor nieuwe reserves. Reserves geboekt vanaf aanslagjaar 2026 betalen een bijkomende voorheffing van 9,8% na de wachttijd van 3 jaar (tegenover 5% voorheen), voor een totale last van ongeveer 18–20%. Reserves geboekt vóór 2026 behouden de vroegere overgangstarieven — 6,5% (3 tot 5 jaar aangehouden) of 5% (meer dan 5 jaar aangehouden) — dus neem niet aan dat de cijfers van vorig jaar nog gelden voor een reserve die je vandaag boekt.
Dit artikel is algemene informatie voor een eenpersoonsvennootschap (BV/SRL), geen fiscaal advies. Regels en cijfers wijzigen — bevestig je situatie met je boekhouder voor je iets onderneemt.
Verder lezen
- Dividenden & reservesVVPR-bis in 2026: het verlaagd tarief stijgt naar 18%
- Kosten & aftrekVerworpen uitgaven: de kosten die je vennootschap betaalt maar niet volledig kan aftrekken
- VerplichtingenDeadlines belastingaangifte 2026: wat freelancers niet mogen missen
- PensioenopbouwVAPZ vs IPT vs POZ: de drie pensioenpotten voor zelfstandigen